determinatie

Hieracium in Nederland

Havikskruiden

Determinatie van havikskruiden

De determinatie van havikskruiden is alleen goed mogelijk bij planten in de hoofdbloeiperiode. Bovendien zijn beschadigde planten vaak niet op naam te brengen doordat dergelijke exemplaren vaak afwijkende bladeren hebben. Vooral bij de laatbloeiende secties (Tridentata, Sabauda en Hieracioides) kan dit problematisch zijn, doordat planten uit deze secties vaak worden afgemaaid voor de bloei, waarna hergroei optreedt. Dergelijke maaivormen zijn maar zelden tot op soortsniveau te benoemen.

 

Voor de determinatie zijn hele, bloeiende planten nodig. Hieraan kan beoordeeld worden of er tijdens de bloei een rozet aanwezig is, hoeveel bladeren er langs de stengel staan, welke vorm de bladeren hebben, hoe uitgebreid de bloeiwijze is en hoe deze gevormd is, hoe de bekleding (indumentum) van de omwindselblaadjes is en wat de kleur van de stijlen is. Al deze kenmerken zijn nodig voor een goede determinatie.

 

Voor de controle van de vaak kritische soorten is het vaak nodig om goed herbariummateriaal te verzamelen. Een goede collectie bestaat uit 3 volledige planten, die onder niet al te grote druk gedroogd worden op A3-formaat. Hierbij moet er op gelet worden dat de bladvorm goed zichtbaar blijft, wat vooral bij de bladrijke secties (Sabauda en Hieracioides) niet altijd eenvoudig is.

 

Voor de determinatie van de Nederlandse havikskruiden is geen recent determinatiewerk beschikbaar. Het beste is te beginnen met de revisie van Van Soest in het Nederlands Kruidkundig Archief (1926-1929). Helaas zitten in het laatste deel van dit overzicht, waar nieuwe soorten worden opgenomen, geen tabellen. De werken van Zahn zijn nodig om soorten die Van Soest niet noemde toch op naam te kunnen brengen. Goede beschrijvingen zijn te vinden bij Sell & Murrell 2006), al ontbreken hier erg veel soorten uit Nederland. Hezelfde geldt voor Schou (2001), maar hierin zijn wel veel fraaie afbeeldingen te vinden, ook van Nederlandse soorten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Sleutel naar de secties

Onderstaande sleutel is ontleend aan R. Haveman (2012), Een nieuwe sleutel tot de secties van Hieracium L. subgen Hieracium. Gorteria 35: 206-213.

 

1. Rozetbladen tijdens de bloei verwelkt, plant zonder rozet. Hoofdbloei midden juli-september → 2

– Rozetbladen tijdens de bloei aanwezig, een rozet vormend. Hoofdbloei (april-)mei-juni → 4

 

2. Minstens de onderste stengelbladen > 1,5 cm breed, niet of slechts onduidelijk omgerold, min of meer duidelijk getand. Bloeiwijze pluim- of (zelden) trosvormig, omwindselblaadjes niet of incidenteel naar buiten gebogen → 3

– Stengelbladen zelden >1,5 cm breed, aan de rand omgerold en daardoor schijnbaar ongetand. Bloeiwijze (behalve bij armoedige exemplaren) duidelijk schermvormig of in twee schijnkransen. Omwindselblaadjes duidelijk teruggebogen, groen → sect. Hieracioides

 

3. Omwindsel met weinig haren en klieren (deze vaak zeer klein) of kaal, meestal opvallend donkergroen; omwindselblaadjes alle stomp. Putjes van de bloembodem met ten dele haarachtig verlengde tanden. Stengelbladen eirond tot langwerpig-lancetvormig, meestal zeer dicht opeenstaand, de bovenste veelal met brede voet zittend, soms met verdraaide spits → sect. Sabauda

– Omwindsel vaak sterker behaard, maar soms kaal, donker of vrij licht, met duidelijke lichte rand, omwindselblaadjes spits of stomp. Putjes van de bloembodem niet met haarachtig verlengde tanden. Stengelbladen smal lancetvormig tot lancetvormig, minder dicht opeenstaand, met wigvormige voet zittend (de onderste soms gesteeld), nooit met gedraaide spits → sect. Tridentata

 

4. Rozet- en stengelbladen meestal zonder of alleen aan de rand met (zeer kleine) klieren. Stengelbladen niet stengelomvattend of afwezig. Rozetbladen zonder of slechts met smalle vleugel → 5

– Rozet- en stengelbladen met talkrijke klierharen. Stengelbladen met hartvormige voet stengelomvattend. Rozetbladen in een breed gevleugelde steel aflopend → sect. Amplexicaulia

 

5. Stengelbladen (1–)2-talrijk. Rozetbladen meestal 1 tot enkele, zelden talrijk, lancet- tot spatelvormig, met breed wigvormige voet aflopend in de bladsteel of met versmalde voet en zittend, soms afgeknot Rozetbladen nooit met achterwaarts gerichte tanden. Omwindsels nauwelijks tot matig beklierd en/of behaard → 6

– Stengelbladen 0–1(–2). Rozetbladen veelal talrijk, eivormig tot langwerpig-elliptisch, met hartvormige of afgeknotte tot afgeronde voet., of aflopend, maar dan vaak zeer sterk ingesneden en met tanden in de bladsteel. Omwindsels sterk beklierd en/of behaard. De onderste tanden aan de rand van rozetbladen vaak naar achteren gericht → sect. Hieracium

 

6. Stengelbladen 1–4(–6), de onderste en meestal ook de middelste duidelijk gesteeld, eivormig tot breed lancetvormig. Rozetbladen met breed wigvormige voet aflopend in een duidelijke, soms gevleugelde steel. Omwindsels met talrijke haren en/of klieren → sect. Vulgata

– Stengelbladen (behalve bij armoedige exemplaren) meer dan 4, vrijwel altijd met wigvormige voet en zittend, smal lancetvormig tot lancetvormig. Omwindsels zonder of met weinig haren en/of klieren → sect. Tridentata

 

Iris de Ronde en Rense Haveman (c) 2013-2014